Sea

Craig Holgate/Flickr

Jona: Een krachtige waarschuwing aan Gods Kerk (deel twee)

02-01-2017  •  Uit deTrompet.nl
 

Vervolg van Jona: Een krachtige waarschuwing aan Gods Kerk (deel een)

Jona Bekeert Zich

Assyrië (Nineve) is het enige rijk dat zich ooit bekeerde na Gods waarschuwende boodschap te hebben gehoord. En Jona is de enige profeet die ooit Gods waarschuwende boodschap achterhield. Dit is een ongekende gebeurtenis.

Jona moest zich bekeren om Nineve een kans te geven hetzelfde te doen. „En Jona bad tot de Here, zijn God, uit het ingewand van de vis. Hij zeide: Ik riep uit mijn nood tot de Here en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem. Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zee, en een waterstroom omving mij; al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen” (Jona 2:1-3). Jona bad tot „zijn God.” Hij volgde opnieuw de ware God. Had hij zich misschien een korte tijd tot een andere god gewend? Hij wist dat hij een grote zonde begaan had.

Jona echter ontving slechts een schijntje van wat God aan de heer Armstrong en de pcg vandaag onthulde. Als God dus al kwaad was op Jona, dan moet Hij vandaag de dag wel helemaal vertoornd zijn op de Laodiceërs! Het achterhouden van zoveel van Gods waarheid is een zeer grote zonde. Als wij Gods boodschap begraven, zal Hij ons begraven.

„En ik, ik zeide: verstoten ben ik uit uw ogen, zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen?” (vers 4). Nu keert Jona zich „weer tot Gods heilige tempel.” Hij had zich van God afgekeerd. Nu wendt hij zich „opnieuw” tot God en Zijn waarheid. Jona keek naar Gods „heilige” tempel—niet slechts naar een fysieke tempel in Jeruzalem. Hij zag op naar de Almachtige God in de hemel. Er was geen zelfmisleiding meer. Gods eigen Laodicea Kerk heeft dezelfde fout gemaakt als Jona. God heeft geprofeteerd dat Hij hen zou terug doen keren tot de Filadelfia standaard (Openbaring 3:9). Bekering is hun enige keus.

„Wateren omringden mij, zij bedreigden mijn leven, de diepte omving mij, met zeewier was mijn hoofd omwonden. Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij. Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog, o, Here, mijn God!” (verzes 5-6). Laten we eens goed op deze uitdrukking de aandacht vestigen: „de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij.” Dat betekent dat Jona op het punt stond het dodenrijk binnen te gaan. Maar in Jona’s geval zou dat „voor eeuwig” zijn! Hij stond op het punt zijn eeuwig leven te verliezen, tenzij hij zich bekeerde!

Dat is het nu wat zovelen van Gods Laodiceërs vandaag niet begrijpen. „En met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” (2 Tessalonicenzen 2:10). De woorden „die verloren gaan” behoren correct gelezen te worden als „die bezig zijn verloren te gaan.” Zij ontvingen Gods waarheid, maar hadden die niet lief. Zij keren zich af van Gods boodschap. Alleen bekering kan hen van de eeuwige dood redden!

Als Gods woord—Zijn openbaring—tot ons komt, dan is dat zeer gevaarlijke kennis. Als dit gebeurt, dan staat nu ons eeuwig leven op het spel. Mogen we onverschillig met onze roeping omgaan?

De Laodiceërs zijn zo „godsdienstig”—en zo misleid. Jona dacht blijkbaar op een zelf­de wijze. Hij keerde terug tot „zijn God,” de „heilige tempel”—niet zo maar een tempel.

Als God ons Zijn boodschap openbaart, dan worden we automatisch boodschappers. Wij moeten Gods boodschap overbrengen. Hoe erg is het als we dat niet doen? Dan zullen we „voor eeuwig” sterven! En dat betekent dat we precies de boodschap moeten overbrengen die God ons openbaart.

Jona’s grote tragedie was, dat toen hij zich bekeerde—het bijna te laat was. „Toen mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de Here, en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel” (vers 7). Jona dacht aan God toen zijn ziel versmachtte. Hij stond op het punt fysiek en geestelijk te sterven toen hij berouw toonde. Dat was er nodig om hem tot de werkelijkheid terug te brengen.

We zien vaak niet hoe verdorven wij zijn. „Welk gebed, welke smeking ook, die enig mens van uw gehele volk Israël doen zal, omdat ieder van hen de plaag van zijn eigen hart kent, zodat hij zijn handen in dit huis uitbreidt” (1 Koningen 8:38). Kennen wij de plaag van ons eigen hart. Zien wij hoe verdorven de menselijke natuur is?

Onze huwelijken en gezinnen moeten vaak het rampenstadium bereikt hebben voor we er wat aan doen. Vaak pakken we onze problemen niet aan voor het te laat is. Vijftig procent van de Laodiceërs weigeren zich te bekeren, totdat ze in de Grote Verdrukking zitten. En vijftig procent sterft liever voor eeuwig, dan dat ze zich bekeren!

Wij moeten God vragen ons eigen boze hart aan ons te laten zien en ons dan bekeren. Dit is onze enige hoop. God is ziek van zogenaamd berouw en zogenaamde godsdienst. moeten elk obstakel verwijderen om Gods dringende boodschap te brengen! Zo moeten we God op de eerste plaats in ons leven stellen.

Onze eigen opstandigheid verwijdert ons van die enige bron van barmhartigheid. „Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is” (Jona 2:8). God spreekt over mensen die een speciale roeping van Hem ontvangen hebben, ongeveer gelijk aan die van Jona. Anders zouden ze God niet „prijs kunnen geven.” Dit is een geweldige tragedie! Het is de grootst mogelijke geestelijke ramp die ons kan overkomen. Wij zijn geroepen tot en leven uit Gods genade. Toch veronachtzaamt Gods volk vaak deze wonderbare genade. Dat was Jona’s zonde. En dat is ook de zonde van Gods Laodicea Kerk vandaag. We kunnen zien waarom het boek Jona, net als andere profetische boeken, gericht is op de eindtijd. Er zijn vandaag wellicht meer mensen die God prijs geven dan ooit in de geschiedenis van Gods Kerk. Dat valt gemakkelijk te bewijzen—maar alleen voor een oprecht bekeerd Christen, met de houding van een kind.

„Maar ik, met lofzegging wil ik aan U offeren; wat ik beloofd heb, wil ik betalen; de redding is des Heren” (vers 9). Alleen aan Gods Kerk wordt vandaag „redding” geboden. En waarschijnlijk zijn er momenteel meer mensen geroepen dan in welke tijd ook. Dit is ook een reden waarom deze boodschap in de eerste plaats aan Gods volk vandaag gericht is. Alleen die mensen die God geroepen heeft, hebben bij hun doop „gezworen” Zijn boodschap uit te dra­gen (Lucas 14:26-27). We verbonden ons dat alleen de dood ons ervan zou weerhouden om Gods Werk te doen.

Zijn we die gelofte vergeten? Zijn we vergeten dat ons „behoud” op het spel staat? Of we brengen Gods boodschap, of we sterven de eeuwige dood!

Satan probeert ons altijd af te houden van onze gelofte aan God. Jona herinnerde zich zijn gelofte—zijn plechtige overeen­komst met God—en omdat hij zich dat herinnerde, spaarde God zijn leven.

De meesten van Gods volk nu hebben zich hun gelofte niet herinnerd. Er werd geprofe­teerd dat er slechts een klein overblijfsel zou zijn die daaraan zou denken. „ Dan spreken zij die de Here vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste: De Here bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Here vrezen en zijn naam in ere houden [Zijn Naam gedenken—Statenvertaling]” (Maleachi 3:16). Het boek Maleachi gaat erover dat de meerderheid van Gods volk Zijn waarheid in deze eindtijd vergeet. (Schrijf ons om een gratis exemplaar van Maleachi’s Boodschap, voor nadere informatie.)

De Filadelfia Kerk van God is geen nieuwe Kerk. Wij doen alleen wat we beloofd hebben. Dat doen de Laodiceërs niet. 

Vervolg op Jona: Een krachtige waarschuwing aan Gods Kerk (deel drie)